Blogposts getagged met “renaissance”

Joost van den Vondel

Geschreven door Erwin A.W. Maas

Joost van den Vondel

Naar menu

Na een bundel licht-erotische amoureuze gedichten “Den nieuwen verbeterden lust-hof” verliet hij dit genre voor een meer religieus-moralistische expressiviteit. In 1613 zien we het renaissancistische "Den gulden winkel der konstlievende Nederlanders (DBNL)" van zijn hand verschijnen (als bijschriften bij platen van Dirck Pieterszoon Pers), geschreven "ter leeringhe ende vermaeck".

Joost was een voorvechter van de vrijheid van meningsuiting en nam geen enkel blad voor zijn mond.

Geboren: 17-11-1587 te Keulen, zoon van Joost sr. en Sara Cranen, beide ouders oorspronkelijk afkomstig uit Antwerpen. Via Utrecht (enkele jaren) belandde het gezin in 1596 in Amsterdam, waar Joost sr. een handel in zijdewaren begon in de Warmoesstraat. Joost jr. had 1 oudere zus: Clementia en 5 jongere broers/zussen: Sara, Rebecca, Peter, Catharina en Willem.

…meer

William Shakespeare algemene informatie

Geschreven door Erwin A.W. Maas

William Shakespeare: inleiding

Naar menu

Nb.: Je kunt alle werken van Shakespeare hier op Github in één zip-file downloaden.

William Shakespeare, enkele citaten:

- We know what we are, but know not what we may be.

- The course of true love never did run smooth.

- It is not in the stars to hold our destiny but in ourselves.

William Shakespeare, de persoon:

Zoon van een handschoenenmaker en handelsman. Zijn moeder was een boerendochter. Hij werd op 26 april 1564 gedoopt in Stratford upon Avon.

Gedurende zijn hele jeugd had zijn vader financieel gezien een erg zwaar bestaan, hetgezin had het niet breed.

Shakespeare zelf kon, dankzij de goede scholing die zijn vader tóch voor hem wist te regelen, zelf wél heel succesvol worden, ook financieel gezien maakte hij het goed.

…meer

Vraag, Antwoord en Lied Dit reeksje behoort tot...

Vraag, Antwoord en Lied

Dit reeksje behoort tot Poots allervroegste poëzie.
Het verhaal staat in Herodotus Historiën i, 85 (vertaling 1665 door O. Dapper).
Blijkens enkele details heeft Poot ook andere fragmenten uit deze bron gelezen.
Later zal hij vertellen in dit kader ook Plutarchus (naar het Frans vertaald door A. van Zuylen van Nyevelt, 1603 en herdrukt 1644) bestudeerd te hebben.
Voor dit verhaal zou hij die niet nodig gehad hebben, maar wel diens ‘Leven van Solon’ voor de precieze bewoording van de anekdote in het Tweede Lied waarin gezinspeeld wordt op de wijsgeer Solon die tegen Croesus had gezegd dat men niemand gelukkig moet prijzen voor zijn dood.
Het is overigens niet uitgesloten dat Poot dit bekende verhaal in een andere bron gevonden heeft.

…meer

Hoewel t verstant Geensins de Minne vliet,...

Hoewel t verstant
Geensins de Minne vliet,
Gemenen brant
Becoort mijn sinnen niet,
Geen bosgodin
Oft Nimph ontstack mijn vlam,
Maer een Godin
Die wt den hemel quam.

…meer

Leitsterren van mijn hoop, planeten van mijn...

Leitsterren van mijn hoop, planeten van mijn jeucht,
Vermogen oogen schoon in hemels vuyr ontsteken
Als ghij u vensters luickt soo sietmen mij ontbreken
Mijns levens onderhout, een teder soete vreucht:

Want ghij besluit daerin een saligende deucht
Vriendlijcke vrolijckheit; de Min met al sijn treken,
Jock, Lach, Bevallijckheit daerinne sijn geweken
En wat ter werelt is van wellust en geneucht.

Natuire die daer schijnt in droeve damp begraven,
Doort missen van u glans, betreurt haer rijckste gaven,
Die gh’ altesaem besluit in plaets soo nau bepaelt,

Doch nau en is sij niet, gelijck het schijnt van buiten,
Maer wijt en woest genoech om alles in te sluiten,
Daer sich mijn wufte siel soo ver in heeft verdwaelt.

D.M.V.S.
Chariclea.

Demophoön, hoewel de zon Demophoön Hoewel de...

Demophoön, hoewel de zon

Demophoön
Hoewel de zon
Tsint hij ontfing sijn stralen
Noijt vrouw bescheen
Die swaerder reen
Had op haer lejt te malen,

Als ick helaes
U Phyllis dwaes,
Nochtans mijn hart vol wanen
Te weten haeckt
Wat dat ghij maeckt
Dewijl jck baed’ in tranen.

…meer

Emblema Als Ariadne sat en deed’ haer droeve...

📝 Post updated:   2023-09-28 04:33:02

Emblema

Als Ariadne sat en deed’ haer droeve clachten,
Over het wreet vertreck van Theseus diese siet,
Dat met sijn schip en volck meinedich van haer vliet,
Die in vergeldings plaets haer trouwe min belachten
Sij dorsten nae de Doot mistroostich van gedachten,
Dat haer, de geen, die sij behouden had, verriet.
Een Godt haer edel Deucht niet onvergolden liet,
Troost wt den hemel quam wa’en sijse minst verwachten.
Want Bachus die haer sach soo schoon en soo bedroeft,
Door medelijden Mins beginsel heeft geproeft,
Die door haer claere deucht gevoet wert in sijn sinnen.
Hij coos haer tot sijn vrouw en als Godin verhief,
Om beter, sij verloor, een vals en tijtlijck Lief,
En creech een die haer mint, en eeuwich sal beminnen.

Emblema. Geschildert int boeck van S.L.W.
Julietta.

Het stokske van Johan van Oldenbarneveldt,...

📝 Post updated:   2023-09-25 19:53:48

Het stokske van Johan van Oldenbarneveldt, vader des vaderlands

Mijn wens behoede u onverrot,
O STOK en stut, die geen verrader,
maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
gestut hebt op dat wreed schavot,
toen hij voor ’t bloedig zwaard moest knielen,
veroordeeld als een Seneca
door Nero’s haat en ongena,
tot droefenis der braafste zielen.

…meer

Schriftuerlijck bruylofts reffereyn Verheucht...

Schriftuerlijck bruylofts reffereyn

Verheucht -o Phoebi jeught- door desen soeten tijdt:
Den Somer door syn deught- verthoont syn groene blaren;
t’Geuogeldt sich vervreught- t’ghediert int Bosch verblijdt;
t’Veldt lacht elck toe verjeught- vliet weg alle bezwaren;
Droefheyt neemt floecx v keer -nijdt-strijdt- wilt henenvaren;
Voor v de Bruyloft wijckt, zoo ghy daer comt ontrent.
Cleyn, groot, ja wie t’mach sijn, Jongh’ jeught, oft gryste hairen,
Sijdt well’com int ghemeen, weest gegroet hier present,
Die om vergad’ren hier, v soo ootmoedich kent:
In liefd’ sticht’lijck verheught, by een met reyn manieren:
Dus seg ik noch, vliet floecx van hier, ghy nydich tieren.

…meer

Sonnet XVIII Shall I compare thee to a summers'...

📝 Post updated:   2023-09-25 04:23:14

Sonnet XVIII

Shall I compare thee to a summers' day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm'd;
And every fair from fair sometime declines,
By chance or nature's changing course untrimm'd;
But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou owest;
Nor shall Death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou growest:
So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this and this gives life to thee.

Sonnet X For shame! deny that thou bear'st love...

📝 Post updated:   2023-09-25 04:23:40

Sonnet X

For shame! deny that thou bear'st love to any,
Who for thyself art so unprovident.
Grant, if thou wilt, thou art beloved of many,
But that thou none lovest is most evident;
For thou art so possess'd with murderous hate
That 'gainst thyself thou stick'st not to conspire.
Seeking that beauteous roof to ruinate
Which to repair should be thy chief desire.
O, change thy thought, that I may change my mind!
Shall hate be fairer lodged than gentle love?
Be, as thy presence is, gracious and kind,
Or to thyself at least kind-hearted prove:
Make thee another self, for love of me,
That beauty still may live in thine or thee.

Sonnet XCIII So shall I live, supposing thou...

📝 Post updated:   2023-09-25 04:22:45

Sonnet XCIII

So shall I live, supposing thou art true,
Like a deceived husband; so love's face
May still seem love to me, though alter'd new;
Thy looks with me, thy heart in other place:
For there can live no hatred in thine eye,
Therefore in that I cannot know thy change.
In many's looks the false heart's history
Is writ in moods and frowns and wrinkles strange,
But heaven in thy creation did decree
That in thy face sweet love should ever dwell;
Whate'er thy thoughts or thy heart's workings be,
Thy looks should nothing thence but sweetness tell.
How like Eve's apple doth thy beauty grow,
if thy sweet virtue answer not thy show!